Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 maart 2020
Alinea 185 Parket bij de Hoge Raad 24 maart 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:280.
24. Dat van daadwerkelijke uitbuiting op het moment van aanwerven, medenemen of ontvoeren nog geen sprake behoeft te zijn, brengt mee dat de omstandigheden van het geval die op uitbuiting wijzen, zich op dat moment nog niet (allemaal) behoeven te hebben gerealiseerd. Dat kan worden geïllustreerd aan de hand van de omstandigheden van het geval die Uw Raad in HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Buruma relevant achtte voor het antwoord op de vraag of van ‘uitbuiting’ sprake was. Uw Raad noemde daarin ‘de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald’ als relevante factoren. Op het moment van aanwerven, medenemen dan wel ontvoeren behoeft de tewerkstelling nog niet te zijn begonnen en behoeft daaruit nog geen economisch voordeel te zijn behaald. Daarom kan in de context van deze delictsomschrijving naar het mij voorkomt beter gesproken worden van de voorwaarde dat de gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waarbij (toekomstige) uitbuiting kan worden verondersteld dan van uitbuiting als impliciet bestanddeel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/983768fb58996d9fde2eb6e447b75ed9952778c2b71287051b326047fa9b13fb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 983768fb58996d9fde2eb6e447b75ed9952778c2b71287051b326047fa9b13fb, en de alinea staat in dat document op bytes 51554 tot 52907.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/983768fb58996d9fde2eb6e447b75ed9952778c2b71287051b326047fa9b13fb | shasum -a 256