Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020

Onder 3.7 Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:283.

De juistheid van de opvatting dat vertegenwoordigingsbevoegdheid steeds tot toerekening van kennis aan een rechtspersoon behoort te leiden, volgt uit de genoemde bepalingen niet. De bepalingen uit Boek 2 BW zeggen het niet en ook uit art. 3:66 jo. 3:78 BW laat het zich niet afleiden. Art. 3:66 BW ziet op het geval dat een rechtshandeling is verricht. Voor dát geval geeft het tweede lid een regel over onder meer bekendheid of onbekendheid met feiten. Mijns inziens minder belangrijk, maar toch ook niet zonder betekenis is dat art. 3:66 lid 2 BW door art. 3:78 BW juist niet van overeenkomstige toepassing wordt verklaard op vertegenwoordiging krachtens (onder meer) Boek 2 BW. Ik zeg: minder belangrijk, omdat ook zonder schakelbepaling aanleiding zou kúnnen bestaan voor analoge toepassing van de leer van het grootste aandeel op vertegenwoordiging in het rechtspersonenrecht. Schakelbepalingen mogen immers, zo min als andere wettelijke bepalingen, niet zonder meer a contrario worden gelezen. Het meest wezenlijk is dus dat de vordering van HDI niet berust op een rechtshandeling.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa875e8a1a3e36466424f1a7771fc9a45624e0b504a17e818c621578a3124915. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa875e8a1a3e36466424f1a7771fc9a45624e0b504a17e818c621578a3124915, en de alinea staat in dat document op bytes 76992 tot 78129.