Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020
Onder 3.15 Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:283.
Gelet op het voorgaande meen ik dat niet juist is dat de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 onder d BW toerekening van de kennis van de bestuurder aan de rechtspersoon veronderstelt. Voor de verlengingsgrond bestaan andere redenen. In het geval van een eenhoofdig bestuur gaat op de door de wetgever opgegeven reden, namelijk dat de rechtspersoon alleen door de bestuurder wordt vertegenwoordigd. In gevallen van collegiaal bestuur spaart de verlengingsgrond de onderlinge verhoudingen. Uit het bestaan van de verlengingsgrond van art. 3:321 lid 1 onder d BW volgt wel dat na het defungeren van een bestuurder de rechtspersoon stééds nog tenminste zes maanden de tijd heeft om de verjaring te stuiten, maar dit dwingt niet tot een rechtsopvatting die – over de boeg van toerekening van wetenschap – inhoudt dat de verjaring steeds aanvangt zodra ten minste één vertegenwoordigingsbevoegde bestuurder bekend is met de schade en de aansprakelijke persoon.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aa875e8a1a3e36466424f1a7771fc9a45624e0b504a17e818c621578a3124915. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aa875e8a1a3e36466424f1a7771fc9a45624e0b504a17e818c621578a3124915, en de alinea staat in dat document op bytes 86026 tot 87003.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aa875e8a1a3e36466424f1a7771fc9a45624e0b504a17e818c621578a3124915 | shasum -a 256