Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2020

Onder 3.3 Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:284.

‘3.3.2 Art. 3:310 lid 1 BW bepaalt, voor zover hier van belang, dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, niet volstaat. De verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. (Zie voor een en ander HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:552, NJ 2017/165 (…/Staat), rov. 3.3.2 en 3.3.4.)

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3dababec52b85f1b96e53bc184081b99bef5fb703b4cc4afbae03ca91d4ae773. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3dababec52b85f1b96e53bc184081b99bef5fb703b4cc4afbae03ca91d4ae773, en de alinea staat in dat document op bytes 32140 tot 33366.