Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2020

Onder 3.9 Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:284.

Met beide zou uw Raad een nieuwe weg inslaan ten opzichte van eerdere rechtspraak met betrekking tot gevallen van juridische advisering. Die nieuwe weg zou echter aansluiten bij wat bij de klachtplicht van art. 6:89 BW reeds geldt, namelijk dat naarmate de schuldeiser er sterker op mag vertrouwen dat de prestatie niet gebrekkig is, van hem minder snel een (voortvarend) onderzoek naar de deugdelijkheid van de prestatie zal mogen worden verwacht, omdat de schuldeiser in het algemeen mag afgaan op de juistheid van de hem in dit verband door de schuldenaar gedane mededelingen, zeker als die mogen worden opgevat als geruststellende verklaringen omtrent de deugdelijkheid van zijn prestatie. Harmonie op dit punt tussen klachtplicht en de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW ligt mijns inziens alleszins voor de hand. Beide dienen zowel de rechtszekerheid als de billijkheid, maar in het bijzonder ook de laatste. Beide beschermen vooral het vertrouwen van de schuldenaar, waarom terecht is opgemerkt dat de korte verjaring van art. 3:310 lid 1 BW eigenlijk een vorm van rechtsverwerking betreft, zoals dit ook geldt voor de klachtplicht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3dababec52b85f1b96e53bc184081b99bef5fb703b4cc4afbae03ca91d4ae773. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3dababec52b85f1b96e53bc184081b99bef5fb703b4cc4afbae03ca91d4ae773, en de alinea staat in dat document op bytes 43977 tot 45462.