Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2020

Onder 2.3 Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:290.

[verweerder] heeft bij Conclusie van antwoord gemotiveerd verweer gevoerd. Zijn meest verstrekkende verweer is een beroep op rechtsverwerking. Subsidiair beroept [verweerder] zich op verjaring. Voorts heeft hij zich verweerd met de stelling dat de betaalde vergoedingen zijn gegrond op de gesloten arbeidsovereenkomsten en tussen partijen gemaakte afspraken. In dat kader heeft hij onder meer aangevoerd dat [betrokkene 1] als bestuurder bevoegd was afspraken over de vergoedingen met hem te maken en dat de beloning voor de werkzaamheden niet was onderworpen aan de goedkeuring of vaststelling van de RvC. Verder heeft [verweerder] aangevoerd dat de RvC op de hoogte was, althans behoorde te zijn van de vergoedingen, althans dat hij hierop gerechtvaardigd mocht vertrouwen en dat het, gelet op de gegeven omstandigheden, ook volstrekt ongeloofwaardig en onwaarschijnlijk is dat de RvC gedurende een periode van zeven jaar niet op de hoogte zou zijn geweest van de betaling van de vergoedingen aan [verweerder] . Ten slotte heeft hij nog de hoogte van het gevorderde (schade)bedrag betwist.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f4462aee4557d70db0b0f1d936e51d2b8c4fb2f0dfe761f8749cb4568c1e815f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f4462aee4557d70db0b0f1d936e51d2b8c4fb2f0dfe761f8749cb4568c1e815f, en de alinea staat in dat document op bytes 32550 tot 33664.