Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2020

Onder 3.37 Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:290.

Subonderdeel 2.3 klaagt dat voor zover de overwegingen in rov. 3.6 (en rov. 3.9) dat ervan moet worden uitgegaan dat de RvC bekend was met de vergoedingen voor [verweerder] ’s invalwerkzaamheden, althans geacht mag worden daarmee bekend te zijn geweest, zo begrepen dienen te worden dat de RvC besloten heeft tot vaststelling van de aanvullende vergoedingen, althans geacht mag worden met de aanvullende vergoedingen te hebben ingestemd, zij getuigen van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de aan een bezoldigingsbesluit in de zin van art. 2:135 (oud) BW te stellen eisen. Subjectieve, laat staan geobjectiveerde, bekendheid met de omstandigheid dat de werkzaamheden en/of vergoedingen feitelijk zouden zijn verricht c.q. betaald hoeft niet mee te brengen dat de RvC ook een besluit in de zin van art. 2:135 (oud) BW heeft genomen. Het hof heeft niet vastgesteld dat de RvC de wil heeft geuit de aanvullende vergoedingen te betalen, noch dat [verweerder] daarop gerechtvaardigd mocht vertrouwen. Een oordeel van het hof dat de RvC de aanvullende vergoedingen heeft vastgesteld, behoefde op zijn minst nadere motivering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f4462aee4557d70db0b0f1d936e51d2b8c4fb2f0dfe761f8749cb4568c1e815f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f4462aee4557d70db0b0f1d936e51d2b8c4fb2f0dfe761f8749cb4568c1e815f, en de alinea staat in dat document op bytes 142794 tot 143979.