Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020
Onder 4.75 Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:358.
De aard van een vordering kan zich tegen overdracht verzetten. Bij ‘gewone’ geldvorderingen is hiervan doorgaans geen sprake. Uit diverse wettelijke bepalingen kan worden afgeleid dat wordt uitgegaan van de overdraagbaarheid van (krediet)vorderingen, zonder dat daarvoor relevant is aan welke entiteit deze vorderingen worden overgedragen. Ook uit (voorstellen voor) Uniewetgeving kan worden afgeleid dat het wenselijk wordt geacht dat kredietvorderingen overdraagbaar zijn. Volgens de literatuur is van onoverdraagbaarheid naar aard sprake als de prestatie van de schuldenaar dan wel de persoon van de schuldeiser wijzigt waardoor ook de inhoud van de vordering zou wijzigen door overdracht, of als de vordering zo sterk aan de schuldeiser is gebonden dat de rechten die voortvloeien uit de vordering niet moeten kunnen worden uitgeoefend door een andere persoon. In dit verband wordt vaak gewezen op het arrest Staat/Appels . Omdat de casus die zich voordeed in Staat/Appels wezenlijk verschilt van de onderhavige, kan mijns inziens uit Staat/Appels niet de conclusie worden getrokken dat ook in een geval als het onderhavige de kredietvordering van de bank op een cliënt onoverdraagbaar is indien deze wordt overgedragen aan een niet-bank. De kredietvordering is in dit geval niet zozeer gebonden aan de persoon van de bank als crediteur dat de rechten en bevoegdheden uit het krediet slechts door de bank kunnen worden uitgeoefend en evenmin wijzigt de inhoud van de kredietvordering doordat de bank niet langer de schuldeiser is (maar de niet-bank aan welke de kredietvordering wordt overgedragen). Daarbij speelt wat mij betreft overigens mee dat de publiekrechtelijke positie van de bank en die van de niet-bank niet wezenlijk van elkaar verschillen en dat de niet-bank op andere wijze aan een met de (bancaire) zorgplicht(en) corresponderend regime kan worden onderworpen, bijvoorbeeld door specifieke inkleuring van de open normen waaraan de niet-bank rechtstreeks is gebonden (zoals art. 6:2 BW). Op deze aspecten ga ik in de hierna volgende onderdelen verder in.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7804ab1e4a64d7f9f38f80d057556a51ae16f3817245e112f2750776df2d2f91. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7804ab1e4a64d7f9f38f80d057556a51ae16f3817245e112f2750776df2d2f91, en de alinea staat in dat document op bytes 169347 tot 171543.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7804ab1e4a64d7f9f38f80d057556a51ae16f3817245e112f2750776df2d2f91 | shasum -a 256