Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020

Onder 4.81 Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:358.

Een niet-bank heeft dus bij het beheren en uitvoeren van een (gecedeerd) krediet dat is verleend aan een consument in beginsel een vergunning nodig op grond van art. 2:60 Wft. Art. 3 van de Vrijstellingsregeling Wft bepaalt echter dat ondernemingen die de juridische eigendom verkrijgen van vorderingen uit hoofde van overeenkomsten inzake krediet die zij niet zelf als wederpartij zijn aangegaan, vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht van art. 2:60 Wft voor zover het beheer en de uitvoering van die overeenkomsten krachtens overeenkomst geschiedt door (kort gezegd) een kredietbeheerder aan welke het ingevolge de Wft is toegestaan te bemiddelen in krediet of krediet aan te bieden (een kredietbeheerder in de zin van art. 3 Vrijstellingsregeling Wft wordt hierna aangeduid als ‘kredietbeheerder’). Indien de niet-bank het beheer en het uitvoeren van het krediet overlaat aan een kredietbeheerder, is zij bovendien vrijgesteld van het bepaalde in Deel 4 van de Wft (Gedragstoezicht financiële ondernemingen) (art. 43 lid 4 Vrijstellingsregeling Wft). De kredietbeheerder heeft dan – op grond van art. 2:60 lid 1 Wft dan wel art. 2:80 lid 1 Wft – zelf een vergunning nodig voor het aanbieden dan wel bemiddelen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7804ab1e4a64d7f9f38f80d057556a51ae16f3817245e112f2750776df2d2f91. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7804ab1e4a64d7f9f38f80d057556a51ae16f3817245e112f2750776df2d2f91, en de alinea staat in dat document op bytes 177803 tot 179042.