Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020

Onder 4.99 Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:358.

4.102 Hiervoor is al in beeld gebracht dat waar het gaat om het gedragstoezicht niet of nauwelijks verschillen bestaan tussen een bank die tevens kwalificeert als financiëledienstverlener en een financiëledienstverlener die niet tevens bank is. Verschillen zijn er wel waar het gaat om de andere vorm van toezicht. Waar een financiëledienstverlener die niet bank is enkel aan gedragstoezicht is onderworpen, geldt voor een bank dat zij ook onder prudentieel toezicht staat. Dit verschil legt waar het de onderhavige problematiek betreft echter geen gewicht in de schaal: het is niet dit type toezicht waar een schuldenaar heil van te verwachten heeft. Daarom kan dit verschil in toezicht op banken respectievelijk niet-banken niet tot de slotsom leiden dat de (rechten en verplichtingen uit de) betreffende (krediet)vordering niet door een ander dan de bank kan (kunnen) worden uitgeoefend, en dat de kredietvordering daardoor naar haar aard niet overdraagbaar is door een bank op een niet-bank. Enkel het gedragstoezicht is immers (specifiek) gericht op de zorgvuldige behandeling van cliënten (zie art. 1:25 lid 1 Wft), en aan dat toezicht zijn alle financiëledienstverleners onderworpen en dus (naast een bank die als financiëledienstverlener kwalificeert) ook een niet-bank wanneer zij een financieel product – zoals een krediet – ‘aanbiedt’ (omdat zij daardoor (eveneens) kwalificeert als financiëledienstverlener) dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt. Wanneer sprake is van ‘aanbieden’, moeten zowel een bank als een niet-bank die het krediet van een bank overgedragen krijgt (dan wel de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt), de gedragsregels uit Deel 4 Wft die hiervoor aan bod zijn gekomen, naleven. Beide entiteiten moeten derhalve (onder meer) personen die bij hen werkzaam zijn een eed of belofte laten afleggen, over een interne klachtenprocedure beschikken, de cliënten duidelijke en niet misleidende informatie verstrekken en op zorgvuldige wijze de gerechtvaardigde belangen van de cliënt in acht nemen. De cliënt krijgt op dit vlak dezelfde bescherming bij een bank als bij een niet-bank (eventueel via de kredietbeheerder waaraan de niet-bank het beheer en de uitvoering van de kredietvordering uitbesteedt), zodat op dit punt moeilijk gezegd kan worden dat door de wijziging van de schuldeiser (van de bank naar een niet-bank) de inhoud van de (krediet)vordering verandert en evenmin dat de (krediet)vordering zo sterk aan de bank als schuldeiser is gebonden dat de rechten die voorvloeien uit de (krediet)vordering niet moeten kunnen worden uitgeoefend door een andere persoon (de niet-bank). Dat de niet-bank niet onder prudentieel toezicht staat, doet aan het voorgaande niet af: die vorm van toezicht is (met name) gericht op het waarborgen van de soliditeit van financiële ondernemingen en de stabiliteit van het financiële stelsel en niet op de zorgvuldige behandeling van cliënten. Dit alles geldt wanneer het om het aanbieden van (en bemiddelen bij) krediet aan consumenten betreft. Gaat het echter niet om consumenten dan geldt een heel ander regime.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7804ab1e4a64d7f9f38f80d057556a51ae16f3817245e112f2750776df2d2f91. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7804ab1e4a64d7f9f38f80d057556a51ae16f3817245e112f2750776df2d2f91, en de alinea staat in dat document op bytes 198364 tot 201685.