Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020

Onder 5.5 Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:358.

De tweede prejudiciële vraag zou ik aldus willen beantwoorden dat op de niet-bank aan welke de vordering wordt overgedragen een publiekrechtelijke zorgplicht rust op grond van de Wft, indien zij krediet aanbiedt in de zin van de Wft (tenzij de niet-bank het beheer en de uitvoering van de vordering overlaat aan een kredietbeheerder, die dan zelf vergunningsplichtig is en onderworpen is aan de gedragsregels uit Deel 4 van de Wft waaronder de publiekrechtelijke zorgplicht). Ook indien door de niet-bank geen krediet wordt aangeboden in de zin van de Wft (waarbij het gaat om – het aangaan, beheren en uitvoeren van – een overeenkomst inzake krediet met een consument), is deze entiteit overigens gebonden aan open normen (waaronder art. 6:2 BW). Deze open normen worden ingevuld aan de hand van alle omstandigheden van het geval en daarmee wat mij betreft mede door het feit dat de vordering die de niet-bank heeft verkregen afkomstig is van een bank voor wie een bijzonder (onder meer publiekrechtelijk) regime geldt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7804ab1e4a64d7f9f38f80d057556a51ae16f3817245e112f2750776df2d2f91. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7804ab1e4a64d7f9f38f80d057556a51ae16f3817245e112f2750776df2d2f91, en de alinea staat in dat document op bytes 293919 tot 294996.