Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020
Onder 4.99 Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:359.
4.106 In onderdeel A. van deel 4 van deze conclusie is (onder meer) aan bod gekomen dat een vordering naar haar aard onoverdraagbaar is wanneer de inhoud van de vordering verandert door de wijziging van de schuldeiser en ook wanneer de vordering zo sterk aan de persoon van de schuldeiser is gebonden dat de rechten die uit die vordering voortvloeien niet door een andere persoon moeten kunnen worden uitgeoefend. In dat kader wordt bijvoorbeeld aangevoerd dat uit het (in onderdeel A. van deel 4 van deze conclusie besproken) arrest Staat/Appels zou volgen dat de (bijzondere) aard van de vordering in kwestie meebrengt dat de rechten voortvloeiend uit deze vordering zozeer aan de persoon van de schuldeiser gebonden is, dat zij slechts door deze behoren te kunnen worden uitgeoefend en niet kunnen worden toegekend aan een ander dan de oorspronkelijk schuldeiser.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4486d77fabdffcdd6959f743b2d68db05b7cc84dc1625d09be6e09a53a957dad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4486d77fabdffcdd6959f743b2d68db05b7cc84dc1625d09be6e09a53a957dad, en de alinea staat in dat document op bytes 190499 tot 191414.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4486d77fabdffcdd6959f743b2d68db05b7cc84dc1625d09be6e09a53a957dad | shasum -a 256