Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020

Onder 4.99 Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:359.

4.142 Ik zit op eenzelfde spoor als Vreemann en Huizingh en Rongen. Zoals ik hiervoor ook al betoogde (randnummer 4.131), zijn de zorg(ver)plicht(ing)(en) (als zodanig) naar mijn mening onderdeel van de rechtsverhouding tussen de bank en de cliënt en niet verbonden aan de vordering. (schending van) Dergelijke zorg(ver)plicht(ing)(en) kan (kunnen) daarom niet (in zijn algemeenheid) als verweermiddel worden ingeroepen. Voor zover uit de zorg(ver)plicht(ing)(en) een concrete beperking zou volgen die (van meet af aan) de inhoud van de vordering bepaalt (bijvoorbeeld bepaalde beperkingen aan de opzegtermijn of de renteverhogingsbevoegdheid of informatieverplichtingen hieromtrent), is wel goed voorstelbaar dat deze kan worden ingeroepen als verweermiddel jegens de niet-bank. Meer muziek voor de schuldenaar zit wellicht in het hierna volgende.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4486d77fabdffcdd6959f743b2d68db05b7cc84dc1625d09be6e09a53a957dad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4486d77fabdffcdd6959f743b2d68db05b7cc84dc1625d09be6e09a53a957dad, en de alinea staat in dat document op bytes 238370 tot 239361.