Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 april 2020

Onder 5.29 Parket bij de Hoge Raad 3 april 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:360.

Bij de eerste rechtsklacht van subonderdeel 2b (procesinleiding onder 30; s.t. onder 83-91) wordt aangevoerd dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, voor zover de overwegingen van het hof zo moeten worden begrepen dat, ondanks wat het hof Arnhem-Leeuwarden in rov. 5.6 en 5.7 van zijn beschikking heeft overwogen, Werkneemster in een hypothetische ontbindingsprocedure geen billijke vergoeding op de voet van art. 7:671b lid 8 onder c, BW zou zijn toegekend omdat zij een aandeel heeft gehad in de verstoorde arbeidsverhouding. Voor de vraag of een billijke vergoeding op de voet van art. 7:671b lid 8, onder c, BW wordt toegekend, is doorslaggevend of de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De omstandigheid dat de werknemer een aandeel heeft gehad in de verstoorde arbeidsrelatie, hoeft daar op zichzelf niet aan in de weg te staan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/844406bb604d6ae1524e8955e620eb0bf7d80d9c28c76d1e3d777d1be55ae014. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 844406bb604d6ae1524e8955e620eb0bf7d80d9c28c76d1e3d777d1be55ae014, en de alinea staat in dat document op bytes 135713 tot 136698.