Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 april 2020

Onder 6.3 Parket bij de Hoge Raad 3 april 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:360.

Volgens de motiveringsklacht van subonderdeel 3a (procesinleiding onder 38; s.t. onder 105) is de vaststelling van het hof dat een hogere vergoeding niet in de rede ligt, omdat er tegenover de knipbeurten die nodig zijn om dat bedrag te betalen geen arbeid stond, onbegrijpelijk. Dit in het licht van de overweging van het hof Arnhem-Leeuwarden (rov. 5.8 van die beschikking; rov. 5.11 van de bestreden beschikking), dat aan Werkneemster niet kan worden tegengeworpen dat zij niet heeft gekozen voor vernietiging van de opzegging. Volgens het subonderdeel wordt Werkneemster door het hof ’s-Hertogenbosch alsnog tegengeworpen dat zij niet voor vernietiging heeft gekozen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/844406bb604d6ae1524e8955e620eb0bf7d80d9c28c76d1e3d777d1be55ae014. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 844406bb604d6ae1524e8955e620eb0bf7d80d9c28c76d1e3d777d1be55ae014, en de alinea staat in dat document op bytes 150738 tot 151462.