Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2020

Alinea 68 Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:38.

Daarnaast stelt het hof vast dat niet alleen over de reden van de betalingen verschillend wordt verklaard door [betrokkene 1] en [verdachte] maar ook over de hoogte van de ereschuld wordt niet gelijkluidend verklaard. In eerste instantie verklaart [betrokkene 1] weinig concreet; volgens hem ziet een deel van de betalingen op het feit dat hij “misschien nog wel iets te goed had van [verdachte] ”. [verdachte] vond de genoemde “ereschuld” eindig. Hij had een bedrag in zijn hoofd. [verdachte] heeft aangegeven dat hij niet meer precies weet hoe hoog dat bedrag was, ergens tussen de € 200.000 en € 400.000. [betrokkene 1] verklaart eerst dat hij niet weet hoe hoog de schuld van [verdachte] aan hem is. Later verklaart [betrokkene 1] - op 27 augustus 2014, dus zo’n anderhalf jaar na zijn voorlopige hechtenis - dat de ereschuld ziet op een bedrag van ongeveer € 600.000

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/efbdee511ecca571dad966d8557f8ba1cfa3c3848ff2f9a2550e9af99acff274. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt efbdee511ecca571dad966d8557f8ba1cfa3c3848ff2f9a2550e9af99acff274, en de alinea staat in dat document op bytes 21460 tot 22361.