Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 april 2020
Onder 2.3 Parket bij de Hoge Raad 17 april 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:384.
In het voormelde arrest van 18 september 2014 ( Hauck/Stokke ) heeft het HvJEU antwoord gegeven op de drie prejudiciële vragen die de Hoge Raad had gesteld in zijn tussenarrest van 12 april 2013. Voor het principaal cassatieberoep in de huidige zaak is het antwoord op vraag 1 van belang. Het HvJEU heeft, zoals gezegd, vraag 1 beantwoord in die zin dat art. 3, lid 1, onder e, eerste streepje, van de Eerste richtlijn (89/104/EEG) van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten aldus moet worden uitgelegd dat de in deze bepaling vastgestelde grond voor weigering van inschrijving van toepassing kan zijn op een teken “dat uitsluitend bestaat uit de vorm van een waar waarbij één of meerdere wezenlijke gebruikskenmerken aanwezig zijn die inherent zijn aan de generieke functie of functies van deze waar en waarnaar de consument mogelijkerwijs in de waren van concurrenten zoekt”. Het HvJEU heeft dit oordeel gemotiveerd in de punten 17 – 26 van zijn arrest.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a4f0defa46125c06980b2d0b2fe55d84c3cff8ca587e451a298d635855a45ea5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a4f0defa46125c06980b2d0b2fe55d84c3cff8ca587e451a298d635855a45ea5, en de alinea staat in dat document op bytes 25306 tot 26419.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a4f0defa46125c06980b2d0b2fe55d84c3cff8ca587e451a298d635855a45ea5 | shasum -a 256