Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2020
Onder 3.31 Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2020, ECLI:NL:PHR:2020:391.
“De wet (art. 193 Fw) stelt als regel dat een faillissement eindigt zodra de slotuitdelingslijst verbindend is geworden. De schuldenaar verkeert nadien niet langer meer in staat van faillissement. De schuldeisers herkrijgen volgens art. 195 Fw hun rechten van executie op de goederen van de schuldenaar. Deze bepaling zal aldus mogen worden verstaan, dat de schuldeisers hun rechten normaal kunnen uitoefenen. Zij hebben verhaal op de goederen van de schuldenaar. Op dit verhaal is het gemene recht van toepassing. De wet maakt op dit logisch sluitend stelsel een uitzondering. Indien baten van de boedel aanwezig blijken te zijn die ten tijde van de vereffening niet bekend waren, kan de Rb. de curator bevelen tot vereffening en verdeling daarvan over te gaan (art. 194 Fw). De idee van de wetgever is klaarblijkelijk, dat weliswaar het faillissement is geëindigd, doch dat niettemin het faillissementsbeslag voortduurt op ‘baten van de boedel’. Aldus ook de HR in de procedure 6698 [ NJ 1985/69, A-G]. Of dit een gelukkig stelsel is, kan ernstig worden betwijfeld. Vooreerst is het zonderling dat ondanks het einde van het faillissement het faillissementsbeslag voortduurt. Het beslag wordt voorts eerst effectief na bevel van de Rb. De gedefungeerde curator kan niet uit eigen hoofde optreden; zijn heroptreden is afhankelijk van het bevel van de Rb. De situatie voordat het bevel is gegeven, is weinig duidelijk. Ik zou willen aannemen dat schuldeisers – niet alleen oude schuldeiser, doch ook een schuldeiser wiens vordering eerst na het einde van het faillissement ontstaan – verhaal op de ‘baten van de boedel’ kunnen uitoefenen. Vgl. Hof 's‑Gravenhage 25 febr. 1943, NJ 1943, 417. De HR haalt echter in dit verband een passage in de memorie van toelichting aan, dat de schuldenaar wordt geacht van zulk een bate ‘geen ogenblik het beheer en de beschikking te hebben gehad’. Mijns inziens treedt dit ‘niet geacht worden’ eerst in na het bevel van de Rb.; vermogensbestanddelen die voor het bevel zijn uitgewonnen, zijn geldig uitgewonnen. Onder ‘baten van de boedel’ zal moeten worden verstaan goederen – vermogensbestanddelen – van de boedel. (…) De rechtstoestand die ontstaat na het bevel van de Rb. wordt in de literatuur wel aangeduid als heropening van het faillissement. Mijns inziens is deze term in dit verband minder juist. Heropening van het faillissement vindt plaats bij ontbinding van een akkoord ingevolge art. 167 Fw. De debiteur wordt ingevolge het vonnis opnieuw in staat van faillissement gebracht. In het geval van art. 194 vindt dit niet plaats; de curator heeft slechts tot taak de vereffening van een bepaald vermogensbestanddeel”.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d7ab62cb2ae0ee4120d6637c0a13249b63460319d859833dbb4c703547fd0870. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d7ab62cb2ae0ee4120d6637c0a13249b63460319d859833dbb4c703547fd0870, en de alinea staat in dat document op bytes 140407 tot 143217.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d7ab62cb2ae0ee4120d6637c0a13249b63460319d859833dbb4c703547fd0870 | shasum -a 256