Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2020

Alinea 116 Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:401.

34. Het in art. 225, eerste lid, Sr bedoelde oogmerk ziet slechts op het gebruik van het valse of vervalste geschrift en niet ook op de valsheid zelf. Voor de bewezenverklaring van het oogmerk het geschrift als echt en onvervalst te gebruiken is beslissend of de verdachte de bedoeling had het desbetreffende geschrift te gebruiken of te doen gebruiken. In een Caribische zaak oordeelde de Hoge Raad dat voor het bewijs van het oogmerk tot gebruik het niet erop aankomt dat er derden in het spel moeten zijn die niet van de valsheid op de hoogte zijn. Voldoende is dat de bedoeling voorzat tot gebruik van het geschrift dat in het maatschappelijk verkeer misleidend is doordat het vals is. Hetzelfde geldt in het kader van art. 225 Sr. Ik wijs er daarbij op dat de Hoge Raad in een Nederlandse zaak overwoog dat voor het gebruikmaken van valselijk opgemaakte facturen (art. 225, tweede lid, Sr) niet is vereist dat de derden tegenover wie de facturen worden gebezigd niet met de valsheid van die facturen bekend zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9884cdb204ee0c710e99392247bdc946262d830433e2dbac0b45d7ae1349037e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9884cdb204ee0c710e99392247bdc946262d830433e2dbac0b45d7ae1349037e, en de alinea staat in dat document op bytes 46518 tot 47804.