Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020

Onder 6.28 Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:412.

In het Urgenda -arrest heeft de Hoge Raad aangenomen dat, als duidelijk is dat een real and immediate risk in de zin van de Osman-obligation bestaat, de margin of appreciation alleen nog ziet op een vrijheid voor de verdragsstaten bij de keuze van de te treffen maatregelen; er bestaat dan dus geen vrijheid om niets te doen. Ik maak hierbij de kanttekening dat in het tweede element van de Reasonable Knowledge and Means test , het vereiste van reasonable means , en de daaraan gekoppelde randvoorwaarde dat de te treffen maatregelen geen impossible or disproportionate burden mogen opleveren, mijns inziens toch een zekere beleids- en beoordelingsruimte voor de betrokken verdragsstaat schuilt. Wel is die ruimte wat betreft de rechten van art. 2 en 3 EVRM (het recht op leven respectievelijk het verbod van foltering) aanzienlijk beperkter dan (bijvoorbeeld) in de context van art. 8 EVRM (het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en van het familie- en gezinsleven).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/99e2f3a727cfa8f188d4d849ebd881cfffd83454cb04e3c2253d3e08c69abce7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 99e2f3a727cfa8f188d4d849ebd881cfffd83454cb04e3c2253d3e08c69abce7, en de alinea staat in dat document op bytes 180872 tot 182277.