Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020

Onder 6.75 Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:412.

Het is mijns inziens niet vanzelfsprekend dat een rechtsplicht op individueel gevalsniveau om repatriëring te bevorderen ook steeds zou moeten leiden tot een rechterlijk bevel. De Staat heeft aangevoerd dat onderhandelen met de Syrisch-Koerdische autoriteiten op basis van een rechterlijk bevel zeer ongewenst is, omdat zulke onderhandelingen vrij en buiten het zicht van de publieke opinie moet kunnen plaatsvinden, naar ik begrijp mede omdat de Syrisch-Koerdische autoriteiten hun eigen politieke belangen nastreven, waarmee de Staat zich niet zomaar wil vereenzelvigen. Mijns inziens behoort de rechter dit mee te wegen. Zoals een zwaarwegend maatschappelijk belang kan meebrengen dat een onrechtmatige gedraging niet wordt verboden (art. 6:168 lid 1 BW), zo ook moet een dergelijk belang kunnen meebrengen dat een rechterlijk bevel om te doen wat plicht is, achterwege blijft (art. 3:296 lid 1 BW; vergelijk de ruimte die besloten ligt in de verwijzing naar de ‘aard der verplichting’ in de aanhef van die bepaling). Dit veronderstelt dan uiteraard wel dat ervan kan worden uitgegaan dat de Staat de intentie heeft om overeenkomstig zijn plicht te handelen (vergelijk de parallel met het geval van art. 6:168 lid 3 BW).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/99e2f3a727cfa8f188d4d849ebd881cfffd83454cb04e3c2253d3e08c69abce7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 99e2f3a727cfa8f188d4d849ebd881cfffd83454cb04e3c2253d3e08c69abce7, en de alinea staat in dat document op bytes 237491 tot 238797.