Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020

Onder 7.43 Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:412.

Om vergelijkbare redenen faalt de tweede klacht over de door Eiseressen ingeroepen belangen. Deze klacht luidt dat het hof ‘blijkens rov. 6.1 niet alle door [Eiseressen] ingeroepen mensenrechten betekenis [heeft] toegekend bij zijn oordelen in rov. 7.1 t/m 7.14’ ( randnummer 108 ). Onder 6.1 heeft het hof kennelijk de in dit geding meest belangrijke (want meest verstrekkende) verdragsbepalingen genoemd waarop Eiseressen zich ‘meer specifiek’ hebben beroepen, te weten art. 2, 3 en 5 EVRM enerzijds en art. 2 lid 2, 3 en 6 IVRK anderzijds. Dit waren de verdragsbepalingen waarop het partijdebat was toegespitst. Het hof was, mede omdat het hier een kort geding betreft, niet gehouden om aan alle door Eiseressen genoemde verdragsbepalingen afzonderlijk te toetsen, temeer nu die verdragsbepalingen bij gebreke van rechtsmacht niet rechtstreeks van toepassing zijn (zie de bespreking van onderdeel 2). Eiseressen lichten overigens ook niet toe hoe en waarom een toetsing aan de niet door het hof genoemde (minder verstrekkende) verdragsbepalingen tot een andere uitkomst had moeten leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/99e2f3a727cfa8f188d4d849ebd881cfffd83454cb04e3c2253d3e08c69abce7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 99e2f3a727cfa8f188d4d849ebd881cfffd83454cb04e3c2253d3e08c69abce7, en de alinea staat in dat document op bytes 287905 tot 289152.