Citaat | Parket bij de Hoge Raad 1 mei 2020

Onder 6.1 Parket bij de Hoge Raad 1 mei 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 1 mei 2020, ECLI:NL:PHR:2020:439.

‘’4.18 […] Het totale in een bepaald loontijdvak in aanmerking te nemen bedrag aan fooien bedraagt in beginsel 10% van de gehele omzet van de inhoudingsplichtige in dat tijdvak. Dit bedrag dient vervolgens per werknemer te worden geïndividualiseerd, door dat totaalbedrag naar evenredigheid te verdelen over de werknemers. Niet expliciet is aangegeven op welke wijze de “evenredigheid” dient te worden bepaald (aantal werknemers, overig door de werknemer van de inhoudingsplichtige genoten loon), doch het Hof acht het - gezien het in de toelichting gegeven voorbeeld - aannemelijk dat het totale fooienbedrag naar evenredigheid dient te worden verdeeld over het aantal werknemers. Aldus wordt een - in beginsel - per individuele werknemer in aanmerking te nemen bedrag aan fooien berekend. Indien echter de inhoudingsplichtige dan wel de Inspecteur aannemelijk maakt dat voor één of meer individuele werknemers de aldus bepaalde toerekening afwijkt van hetgeen de werknemer feitelijk aan fooien van derden heeft genoten, wordt voor die werknemer(s) een hoger of lager percentage toegepast en naar evenredigheid toegerekend.’’

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a347a71b462f8fa8e2cdbd7992dbf3f79e5d7e443a6ada8ab5da4455122dba9f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a347a71b462f8fa8e2cdbd7992dbf3f79e5d7e443a6ada8ab5da4455122dba9f, en de alinea staat in dat document op bytes 105942 tot 107098.