Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020

Onder 2.20 Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:440.

De ratio van het voorschrift van art. 155 Rv is, zoals Uw Raad ook in het arrest van 20 maart 2020 heeft opgemerkt, dat de waarnemingen door de rechter ten overstaan van wie de bewijslevering heeft plaatsgevonden, van belang kunnen zijn voor de waardering van het bewijs. In zoverre zou het onmiddellijkheidsbeginsel het volgende met zich mee kunnen brengen. Niet in het vonnis/arrest maar eerder – voor de uitspraak - wordt melding gemaakt van de wisseling van de raadsheer-commissaris, conform de regels van Uw arrest van 2014. Indien wordt medegedeeld dat de raadsheer-commissaris niet aan de zitting zal deelnemen waarin het bewijs wordt gewaardeerd, kunnen partijen verzoeken om een (nieuwe) mondelinge behandeling ten overstaan van de rechters die het arrest gaan wijzen, waarin het bewijs wordt gewaardeerd. Ze kunnen dan ten overstaan van die rechters nog nader toelichten wat hun opmerkingen zijn ten aanzien van de getuigenverklaringen. Dat verzoek zal gemotiveerd mogen worden afgewezen in het belang van een voortvarende procesvoering. Immers vaak is ook al bij akte – zoals ook in deze zaak – gereageerd op de getuigenverklaringen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/67aa279918ce5735cce179003c2ed56daf5ce325d4277a7f03b628451e05d30d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 67aa279918ce5735cce179003c2ed56daf5ce325d4277a7f03b628451e05d30d, en de alinea staat in dat document op bytes 39397 tot 40562.