Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020
Onder 2.14 Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:441.
“Voor het getuigenverhoor in burgerlijke zaken was in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering − voor zover hier van belang − bepaald dat “voor zooveel ontslag, overlijden, ziekte van langdurigen aard of eene andere dergelijke oorzaak het niet noodzakelijk maakt”, rechters die het getuigenverhoor niet hebben bijgewoond, niet zullen mogen meewerken tot de uitspraak over de zaak, waarin dat verhoor gehouden is. Van de afwijking van deze regel en de oorzaak daarvan wordt in de uitspraak melding gemaakt. Deze regel wordt doorgaans verklaard met het argument dat de bewijswaarde van een getuigenverklaring beter kan worden beoordeeld wanneer de rechter ook kennis heeft kunnen nemen van de nonverbale communicatie tijdens het getuigenverhoor. Na de herziening van het burgerlijk procesrecht in eerste aanleg is deze procedureregel in een gewijzigde vorm opgenomen in art. 212 (oud) Rv en uiteindelijk terechtgekomen in art. 155 Rv zoals dit thans geldt. Het eerste lid van artikel 155 schrijft voor dat de rechter ten overstaan van wie in een zaak bewijs is bijgebracht, daarin, zoveel als mogelijk, het eindvonnis zal wijzen of medewijzen. Het tweede lid voegt hieraan toe dat van een afwijking van deze regel en de oorzaak daarvan in het vonnis melding zal worden gemaakt. Tegen de afwijking staat geen voorziening open. Uit de plaatsing van dit artikel in de paragraaf “Algemene bepalingen van bewijsrecht” kan worden afgeleid dat dit artikel ook geldt voor andere in afdeling 9 van deze titel geregelde vormen van bewijsgaring dan een getuigenverhoor. Van een getuigenverhoor, de mondelinge verklaring van een deskundige en van een gerechtelijke plaatsopneming wordt proces-verbaal opgemaakt. Mijn toenmalige ambtgenoot Bakels heeft in 2001 opgemerkt dat het in art. 6 EVRM verankerde recht op een eerlijk proces ook civielrechtelijk ertoe kan leiden dat het de appelrechter niet onder alle omstandigheden vrij staat een afwijkende beoordeling te geven van het in eerste aanleg geleverde getuigenbewijs zonder dat hij de getuigen zelf heeft gehoord. Een vergelijkbare regel voor de rechter die de pleidooien heeft bijgewoond, ontbreekt in de wet. Ook in art. 134 lid 1 Rv valt een regel van deze inhoud niet te lezen. Een regel van deze inhoud kan hoogstens worden afgeleid uit de norm van een ‘eerlijk proces’ of uit de beginselen van een goede procesorde.”
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a2da9870280e7a7a57ce2cbc7e0c92b0692a0da336fc97cb52317a250e91f0fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a2da9870280e7a7a57ce2cbc7e0c92b0692a0da336fc97cb52317a250e91f0fd, en de alinea staat in dat document op bytes 29319 tot 31718.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a2da9870280e7a7a57ce2cbc7e0c92b0692a0da336fc97cb52317a250e91f0fd | shasum -a 256