Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020
Onder 2.17 Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:441.
In de onderhavige zaak heeft de bewijswaardering in het eindarrest plaatsgevonden en is in afwijking van het bepaalde in art. 155 lid 2 Rv in het arrest niets vermeld over de reden waarom de raadsheer-commissaris het arrest niet heeft meegewezen. Op schending van deze regel staat volgens art. 155 Rv geen sanctie en bovendien bepaalt lid 2 dat tegen de afwijking van het tweede lid geen voorziening openstaat. Asser heeft in zijn noot bij het arrest van 31 oktober 2014 betoogd dat het rechtsmiddelenverbod van art. 155 lid 2 Rv kan worden doorbroken zodat alsnog kan worden opgekomen tegen afwijking van de voornoemde hoofdregel uit art 155 lid 1 Rv, indien in de uitspraak niet de noodzaak van de rechterswisseling wordt vermeld. Een wettelijk rechtsmiddelenverbod kan volgens vaste rechtspraak worden doorbroken als de rechter buiten het toepassingsgebied van een bepaalde regeling is getreden, deze ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten, of bij de behandeling van de zaak een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken. Asser leidt de doorbreking af uit de overweging van de Hoge Raad in het arrest van 31 oktober 2014 waarin de Hoge Raad voorop stelt dat het ‘niet onbegrensde’ recht van partijen hun standpunten mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten, een fundamenteel beginsel van burgerlijk procesrecht is, dat is neergelegd in art. 134 Rv, en ook voortvloeit uit art. 6 EVRM. Schending van dat beginsel levert dan een doorbreking van het rechtsmiddelenverbod op, aldus Asser. Ook A-G Wesseling-van Gent en A-G Hartlief zitten op dat spoor. Zij zijn wel van mening dat doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 155 lid 2 Rv beperkt moet worden tot het geval van een rechterswisseling na een bewijsverrichting die op een zitting heeft plaatsgevonden. De Groot is een andere mening toegedaan. Aangezien de afwijking van de regel in art. 155 lid 1 Rv uitsluitend wordt beoordeeld door het gerecht dat haar toepast, valt volgens De Groot te verwachten dat de doorbrekingsrechtspraak wegens de aard van het rechtsmiddelenverbod niet van toepassing zal zijn. Ook Beenders lijkt het niet waarschijnlijk dat de doorbrekingsjurisprudentie op dit soort gevallen van toepassing is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a2da9870280e7a7a57ce2cbc7e0c92b0692a0da336fc97cb52317a250e91f0fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a2da9870280e7a7a57ce2cbc7e0c92b0692a0da336fc97cb52317a250e91f0fd, en de alinea staat in dat document op bytes 34700 tot 37350.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a2da9870280e7a7a57ce2cbc7e0c92b0692a0da336fc97cb52317a250e91f0fd | shasum -a 256