Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020

Onder 3.21.1 Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:562.

Omdat een beroep op art. 108 lid 3 VWEU plaatsvindt binnen het kader van het nationale (proces)recht, bepaalt dat recht in eerste instantie welke partijen in een bepaalde (bestuursrechtelijke, belastingrechtelijke of civiele) procedure een beroep kunnen doen op deze bepaling en de gevolgen van een schending ervan. In het bestuursrecht spelen in het bijzonder het belanghebbende-begrip van art. 1:2 Awb en de relativiteitseis van art. 8:69a Awb, in het belastingrecht speelt de beperking van art. 26a Algemene wet inzake de rijksbelastingen, en in het burgerlijk recht kan gedacht worden aan het relativiteitsvereiste en het belangvereiste van art. 3:303 BW (zie voor deze zaak hiervoor in 3.4-3.5.2). Daarbij is van belang dat de burgerlijke rechter in beginsel kan optreden als restrechter voor partijen die geen toegang hebben tot de bestuurs- of belastingrechter.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/08b9fa64869de36ac45b52e93e1134ddffe7638c10c9875ec683c48d63d913f5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 08b9fa64869de36ac45b52e93e1134ddffe7638c10c9875ec683c48d63d913f5, en de alinea staat in dat document op bytes 39456 tot 40338.