Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2020
Onder 2.53 Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:593.
Voor zover de onderdelen aanvoeren dat dit oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, lopen deze vast op het volgende. Vooropgesteld zij, dat het hof met dit oordeel heeft onderkend dat blijkens de wetsgeschiedenis (zie hiervoor) een verbodenverklaring slechts strafrechtelijke gevolgen heeft, art. 140 lid 2 Sr die gevolgen slechts verbindt aan een onherroepelijke verbodenverklaring, en een uitvoerbaarverklaring bij voorraad ter zake dus geen rechtsgevolg zal hebben. Daaraan zij toegevoegd dat het hof met dit oordeel niet heeft miskend dat ook in de periode voordat de beschikking inhoudende verbodenverklaring van een rechtspersoon in kracht van gewijsde is gegaan bestuursrechtelijk opgetreden kan worden tegen de desbetreffende rechtspersoon als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, waarbij geldt dat binnen het kader van de relevante bestuursrechtelijke grondslag uiteraard ook als reden of onderbouwing mede betekenis zal kunnen toekomen aan zo’n civielrechtelijke verbodenverklaring (in die zin kan zo’n verbodenverklaring dan reeds ‘werking hebben’ of ‘effect sorteren’, waarbij niet op voorhand en in abstracto valt in te zien dat daarvoor “vereist is dat de verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad is verklaard” zodat daarin een hier relevant rechtsgevolg zou schuilgaan), maar deze verbodenverklaring toch niet automatisch in bestuursrechtelijke zin een eigenstandige rechtvaardiging voor zulk optreden oplevert en aldus ‘1-op-1’ bestuursrechtelijk doorwerkt, ook niet als de verbodenverklaring uitvoerbaar bij voorraad is verklaard (ook daarin zie ik dus niet een hier relevant rechtsgevolg van uitvoerbaarverklaring bij voorraad). Zie ook onder 2.17. Voor zover de onderdelen meer of anders lezen in dit oordeel van het hof, missen deze feitelijke grondslag. Hieruit volgt dat hetgeen de onderdelen aan rechtsklachten bevatten, gegeven ook de hier aan het hof toekomende beoordelingsmarge, niet de conclusie rechtvaardigt dat het hof ten onrechte de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de verbodenverklaring niet heeft gehandhaafd. Ik lees in de onderdelen geen (duidelijke) motiveringsklacht, maar wijs er volledigheidshalve nog op dat het daarin aangevoerde, gelet ook op het voorgaande, evenmin de conclusie rechtvaardigt dat het hof hier tot een nadere motivering gehouden was.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4e98306a7dbaf8b7598e0f1323af4d81f0f2a674ca3116e6ad045e56ecaaade6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4e98306a7dbaf8b7598e0f1323af4d81f0f2a674ca3116e6ad045e56ecaaade6, en de alinea staat in dat document op bytes 280322 tot 282878.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4e98306a7dbaf8b7598e0f1323af4d81f0f2a674ca3116e6ad045e56ecaaade6 | shasum -a 256