Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2020
Onder 5.11. Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:6.
De overwegingen van het hof moeten aldus worden begrepen dat het hof heeft geoordeeld dat de onder g, i, j en k genoemde middelen niet als oplichtingsmiddelen als bedoeld in art. 326 Sr zijn te kwalificeren, dat van de onder b deels, d deels, f en l ten laste gelegde middelen niet bewezen kan worden geacht dat zij in strijd zijn met de waarheid en dat ter zake van de onder a, b deels, c, d deels, e en h ten laste gelegde middelen niet op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat beleggers daardoor daadwerkelijk zijn bewogen om in te leggen. Op basis daarvan is het hof tot de conclusie gekomen dat het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen kon worden en heeft het de verdachte vrijgesproken. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste uitleg van de in de tenlastelegging opgenomen bestanddelen van art. 326 Sr. Het hof heeft derhalve niet vrijgesproken van iets anders dan is ten laste gelegd. Van grondslagverlating is daarom geen sprake. Het middel faalt aldus.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/49fcb7c4c06b7116f7914e721b308ba5cdbfc9499ee40a6664d6eddc8411cd21. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 49fcb7c4c06b7116f7914e721b308ba5cdbfc9499ee40a6664d6eddc8411cd21, en de alinea staat in dat document op bytes 80806 tot 81799.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/49fcb7c4c06b7116f7914e721b308ba5cdbfc9499ee40a6664d6eddc8411cd21 | shasum -a 256