Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2020

Onder 6.6. Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2020, ECLI:NL:PHR:2020:6.

Het middel heeft betrekking op het derde deel van het onder 4 ten laste gelegde, welk feit strafbaar is gesteld in art. 2:55 Wft jo. art. 1 WED. De steller van het middel meent dat, nu niet ten laste is gelegd en ook niet bewezen is verklaard dat de verdachte zich opzettelijk aan dit feit schuldig heeft gemaakt, sprake is van een overtreding voor wat betreft de periode 1 januari 2007 tot en met 12 mei 2009. De – absolute – verjaringstermijn beloopt in dat geval tien jaren, waardoor het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk had moeten verklaren in de vervolging van het onder 4 ten laste gelegde ten aanzien van de overtredingen van art. 2:55 lid 1 Wft voor zover begaan tussen 1 januari 2007 en 26 april 2007. Het middel klaagt voorts dat in de periode tussen de uitspraak van het hof en de indiening van de schriftuur meer deelfeiten zijn verjaard. Ambtshalve zal ik ingaan op de mogelijke verjaring van feiten ná indiening van de schriftuur.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/49fcb7c4c06b7116f7914e721b308ba5cdbfc9499ee40a6664d6eddc8411cd21. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 49fcb7c4c06b7116f7914e721b308ba5cdbfc9499ee40a6664d6eddc8411cd21, en de alinea staat in dat document op bytes 98131 tot 99106.