Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020

Onder 3.6 Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:607.

De aantekening in GS Vermogensrecht, van de hand van Koopmann, waarop de vrouw zich heeft beroepen, ziet op art. 3:313 BW, dat het aanvangsmoment bepaalt van de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verplichting om te geven of te doen. Dat aanvangsmoment is het moment waarop voor het eerst onmiddellijke nakoming kan worden gevorderd, wat bij verbintenissen samenvalt met het moment van opeisbaarheid. De bedoelde aantekening van Koopmann ziet op de wetsgeschiedenis van het artikel. In het Ontwerp-Meijers kende het artikel een (tweede en) derde lid. Het derde lid bepaalde dat de termijn van verjaring van een verplichting om niet te doen , begint met de aanvang van de dag volgende op die waarop inbreuk op de verplichting heeft plaatsgevonden. Deze bepaling is in het regeringsontwerp geschrapt. De wetgever vond het te ver gaan dat iedere, ook de geringste, inbreuk tot verjaring zou kunnen leiden, met als gevolg dat tegen nieuwe inbreuken niet meer zou kunnen worden opgekomen. Daarbij werd in de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer verwezen naar het arrest Haarlemmerolie . Wél juist werd bevonden dat de verjaring aanvangt indien de inbreuk bestaat in een met de verplichting strijdige toestand . Dit leidde tot de invoeging van de bepaling van het huidige art. 3:314 BW.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c810f3d33616259e6f195ffef0a852c90251de1518d1fa8acdde66ed54f47b85. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c810f3d33616259e6f195ffef0a852c90251de1518d1fa8acdde66ed54f47b85, en de alinea staat in dat document op bytes 19445 tot 20992.