Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020
Onder 3.26 Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:607.
Voor zover in de procesinleiding onder 3.8 nog de klacht moet worden gelezen dat het hof feitelijke gronden heeft aangevuld omdat door geen van partijen de termijn van zes weken was verdedigd, faalt ook die klacht. Door de notaris is verdedigd dat de lange verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW aangevangen is op het moment van de nalatigheid om de akte van huwelijkse voorwaarden in te schrijven. Het hof heeft die opvatting aanvaard en daarbij het door de notaris aangeduide aanvangsmoment nader geconcretiseerd door dat te stellen op zes weken na het passeren van de akte. Dat levert geen verboden aanvulling van feitelijke gronden op in de zin van art. 24 Rv.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c810f3d33616259e6f195ffef0a852c90251de1518d1fa8acdde66ed54f47b85. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c810f3d33616259e6f195ffef0a852c90251de1518d1fa8acdde66ed54f47b85, en de alinea staat in dat document op bytes 47223 tot 47904.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c810f3d33616259e6f195ffef0a852c90251de1518d1fa8acdde66ed54f47b85 | shasum -a 256