Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020

Onder 3.27 Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:607.

‘13. Het hof overweegt als volgt. Art 3:310 lid 1 BW bevat twee verjaringstermijnen. Bij de twintigjaarstermijn staat de rechtszekerheid voorop. Het uitgangspunt voor de verjaring – zoals het hof hiervoor al heeft overwogen – is het tijdstip waarop de gebeurtenis heeft plaatsgevonden, in het onderhavige geval zes weken na het passeren van de akte van huwelijkse voorwaarden. Dat aan de aanvangstermijnen van verjaring strikt de hand wordt gehouden, wil evenwel niet zeggen dat deze verjaringstermijnen nooit buiten toepassing zouden kunnen blijven. In bijzondere gevallen en onder bijzondere omstandigheden is een uitzondering mogelijk op basis van art 6:2 lid 1 BW. Stelplicht en bewijslast liggen bij de benadeelde schuldeiser. De rechtspraak waarnaar appellante heeft verwezen met betrekking tot de verlenging van de verjaringstermijn, heeft betrekking op asbestproblematiek waarmee werknemers zijn geconfronteerd. Deze ziekte openbaart zich pas gemiddeld 20 tot 40 jaar na de blootstelling aan asbest. Naar het oordeel van het hof zijn er in de onderhavige situatie geen uitzonderlijke gronden aan te wijzen op grond waarvan de lange verjaringstermijn dient te worden verlengd. Het betreft hier een mogelijke fout met betrekking tot een akte van huwelijkse voorwaarden die in 1992 is gepasseerd. Niet meer is vast te stellen, wie de fout heeft gemaakt bij het niet inschrijven van de akte van huwelijkse voorwaarden, gezien het enorme tijdsverloop. Het huwelijksgoederenregister is een openbaar register. Appellante had ook zelf kunnen vaststellen of de akte al dan niet was ingeschreven of dat de notaris nadien voor haar nog een notariële akte heeft gepasseerd. Door het enorme tijdsverloop komt geïntimeerde procesrechtelijk gezien in een complexe situatie te verkeren aangezien hij de feitelijke gang van zaken met betrekking tot het verloop van de akte van huwelijkse voorwaarden niet meer kan achterhalen. Het hof hecht in het onderhavige geval meer betekenis aan de rechtszekerheid dat iemand niet na 20 jaar nog geconfronteerd wordt met een schadeactie, te meer daar er niet sprake is van opzet en niet met zekerheid valt vast te stellen dat de fout ook daadwerkelijk door geïntimeerde is gemaakt. In dit specifieke geval is er dus geen grond voor verlenging van de verjaringstermijn aanwezig. De grief treft dus geen doel.’

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c810f3d33616259e6f195ffef0a852c90251de1518d1fa8acdde66ed54f47b85. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c810f3d33616259e6f195ffef0a852c90251de1518d1fa8acdde66ed54f47b85, en de alinea staat in dat document op bytes 48219 tot 50581.