Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020

Onder 3.34 Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:607.

De vrouw richt geen klacht tegen de (impliciete) oordelen van het hof dat voor rechtsverwerking op de grond dat bij de vrouw het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat haar schade zou worden vergoed – waarmee een later beroep op verjaring onverenigbaar is – nodig is dat de feiten en omstandigheden waarop dat vertrouwen is gegrond, aan de notaris kunnen worden toegerekend en dat dit veronderstelt dat de vrouw gerechtvaardigd heeft vertrouwd op de bevoegdheid van de directeur van het notariskantoor om de notaris te vertegenwoordigen. Dat dient in cassatie dus tot uitgangspunt. Ten overvloede: ik meen dat toerekening van gedragingen in het verband van rechtswerking op grond van gerechtvaardigd vertrouwen inderdaad bevoegdheid veronderstelt, althans de schijn van een zodanige bevoegdheid.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c810f3d33616259e6f195ffef0a852c90251de1518d1fa8acdde66ed54f47b85. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c810f3d33616259e6f195ffef0a852c90251de1518d1fa8acdde66ed54f47b85, en de alinea staat in dat document op bytes 58523 tot 59402.