Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2020
Onder 3.19 Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:608.
Uit art. 24 Rv volgt, als keerzijde van art. 25 Rv, dat de rechter de toewijsbaarheid van de vordering dan wel het verzoek, alsook van een zelfstandig verweer, met toepassing van de juiste rechtsopvatting dient te onderzoeken en beslissen op de grondslag van de feiten die aan de vordering, het verzoek respectievelijk het verweer ten grondslag zijn gelegd. Art. 24 Rv veronderstelt dus – niet minder dan de regels van het bewijsrecht van art. 149 e.v. Rv – een stelplicht voor partijen met betrekking tot de voor de door hen ingeroepen rechtsgevolgen benodigde rechtsfeiten. Voor een eisende partij betekent dit dat de rechter haar vordering dient af te wijzen voor zover de feiten waarop zij een beroep heeft gedaan, toewijzing van de vordering niet kunnen rechtvaardigen. Of de wederpartij wel of niet heeft gewezen of de ongenoegzaamheid van de gestelde feiten, doet in dit verband niet ter zake. Ook als de wederpartij daarop niet heeft gewezen, moet de rechter doen wat hij moet doen. Niet juist is dus, zoals van de zijde van Deka wordt aangevoerd, dat bij gebreke van een verweer van de zijde van Q-Park een onderzoek naar de toewijsbaarheid van de wettelijke handelsrente buiten de grenzen van de rechtsstrijd viel. Die grenzen werden niet alleen door het verweer van Q-Park bepaald, maar ook door de stelplicht van Deka.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1920f258658e59389103ba5ead0ef3bddbc6554116530b99b7969b05b59131b6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1920f258658e59389103ba5ead0ef3bddbc6554116530b99b7969b05b59131b6, en de alinea staat in dat document op bytes 54664 tot 56203.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1920f258658e59389103ba5ead0ef3bddbc6554116530b99b7969b05b59131b6 | shasum -a 256