Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020

Alinea 102 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654.

63. Het bewaken van de integriteit van de procedure door zich in bijzondere gevallen van ernstig onrechtmatig overheidsoptreden te distantiëren, is in de recente rechtspraak over art. 359a Sv geen zelfstandige grond om op de voet van die bepaling aan vormverzuimen enig rechtsgevolg te verbinden. Het Karmanarrest is een witte raaf gebleven. In dat arrest zag de Hoge Raad ruimte voor niet-ontvankelijkheid in een geval waarin het openbaar ministerie in strijd met de grondslagen van het strafproces en met name met de wettelijk voorziene verdeling van de bevoegdheden en verplichtingen tussen het openbaar ministerie en de rechter aan een kroongetuige had toegezegd een mogelijk door de strafrechter op te leggen gevangenisstraf niet ten uitvoer te leggen. In de conceptwetsvoorstellen die zijn gedaan in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering lijkt deze gedachte weer terrein te winnen, in het bijzonder doordat de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie daarin niet wordt voorbehouden aan schendingen van het recht op een eerlijk proces van de verdachte, maar ook mogelijk is in andere gevallen waarin voortzetting van de vervolging niet te verenigen is met de goede procesorde.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512, en de alinea staat in dat document op bytes 76802 tot 78163.