Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020
Alinea 182 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654.
134. Voor bewijsuitsluiting hanteerde de Hoge Raad lange tijd één maatstaf, die relatief open was geformuleerd. In het afvoerpijparrest overwoog hij dat bewijsuitsluiting uitsluitend aan de orde kan komen indien het bewijsmateriaal door het verzuim is verkregen en slechts in aanmerking komt indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. De beoordeling dient plaats te vinden in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van art. 359a, tweede lid, Sv en van de omstandigheden van het geval. Ten opzichte van de eerdere rechtspraak betekende dit criterium een aanscherping: bewijsuitsluiting werd gereserveerd voor aanzienlijke schendingen van belangrijke (strafvorderlijke) voorschriften of rechtsbeginselen. Daarnaast geldt dat ingeval de onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg heeft gehad dat de rechter het daardoor verkregen materiaal niet langer als betrouwbaar aanmerkt, het materiaal reeds op die grond niet tot het bewijs zal worden gebezigd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512, en de alinea staat in dat document op bytes 159748 tot 161140.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512 | shasum -a 256