Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020

Alinea 205 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654.

155. Maar ook voor de rechter ligt de lat erg hoog. Komt de rechter reeds tot de vaststelling dat het vormverzuim zozeer bij herhaling voorkomt dat het structureel karakter ervan vaststaat, dan moet hij onder meer beoordelen of aannemelijk is geworden dat toepassing van bewijsuitsluiting in de gegeven omstandigheden daadwerkelijk de beoogde normerende werking op de praktijk van opsporing en vervolging zal hebben. In dat verband is van belang dat onduidelijk is wat het effect van bewijsuitsluiting is op toekomstig overheidsoptreden. Veel meer dan anekdotisch bewijs is er niet. Daarmee is uiteraard niet gezegd dat bewijsuitsluiting aan preventie geen enkele bijdrage kan leveren, maar wel dat de vraag is of de rechter is toegerust om de aannemelijkheid van een normerend effect van bewijsuitsluiting in het concrete geval te beoordelen. Maar misschien is door de Hoge Raad niet beoogd in dit verband hoge eisen te stellen aan het vaststellen van de aannemelijkheid dat de toepassing van bewijsuitsluiting in de gegeven omstandigheden daadwerkelijk de beoogde normerende werking op de praktijk van opsporing en vervolging zal hebben.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512, en de alinea staat in dat document op bytes 183183 tot 184463.