Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020

Alinea 231 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654.

180. Met die gedachte kan worden ingestemd. Een dergelijke benadering zou goed passen bij de aanvankelijke lijn in de rechtspraak inzake het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, waarin juist de overeenkomsten tussen de responsieplicht van art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv en de responsieplicht in verband met art. 359a Sv zijn benadrukt. Overigens zou een accentverschuiving naar een iets grotere vrijheid van de feitenrechter, zoals in deze conclusie bepleit, ook gevolgen hebben voor de wijze waarop de motivering in cassatie wordt getoetst. De wegingsfactoren van het tweede lid zullen daarbij op een iets minder dwingende manier uitwerken. Dat heeft ook gevolgen voor hetgeen ter onderbouwing van verweren strekkende tot toepassing van art. 359a Sv mag worden verlangd. Juist als het gaat om beslispunten waar de eigen verantwoordelijkheid van de rechter groot is, dienen de eisen die aan een verweer ter zake worden gesteld niet te hoog te zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512, en de alinea staat in dat document op bytes 209809 tot 210842.