Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020

Alinea 233 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654.

181. De ontwikkeling van het recht ten aanzien van de reactie op vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek is de afgelopen dertig jaar in beweging. Vóór de inwerkingtreding van de Wet vormverzuimen leidde het constateren van een onrechtmatigheid bij het vergaren van bewijsmateriaal betrekkelijk standaard tot bewijsuitsluiting. De wetgever heeft met art. 359a Sv een kader geschapen dat de feitenrechter een leidende rol geeft om aan de hand van de omstandigheden van het geval te bepalen of aan een vormverzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk. In de praktijk is die rol niet tot volle wasdom gekomen. Dat hangt samen met de rechtspraak van de Hoge Raad, waarin strikte kaders zijn vastgesteld voor de toepassing van (rechtsgevolgen in de zin van) art. 359a Sv. De rechtspraak van de Hoge Raad getuigt in dit opzicht van een grote mate van terughoudendheid ten aanzien van het verbinden van rechtsgevolgen aan vormverzuimen. Die terughoudendheid vertaalt zich in het strikte beoordelingskader, de relatief hoge eisen die aan verweren en de motivering van de toepassing van rechtsgevolgen worden gesteld en aan de relatief indringende toetsing door de Hoge Raad daarvan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512, en de alinea staat in dat document op bytes 210935 tot 212164.