Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020

Alinea 321 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654.

200. Afzonderlijke opmerking verdient dat in de onderhavige zaak zich evenmin de situatie voordoet waarin art. 359a Sv toepassing mist omdat de verdediging een beroep doet op een vormverzuim dat aan de rechter-commissaris is of hadden kunnen worden voorgelegd. Het gaat de verdediging in de onderhavige zaak immers niet om een beslissing in het kader van het voorarrest, maar om de gestelde mishandeling van de verdachte na zijn aanhouding op het politiebureau en om de wijze waarop met de gestelde schending van zijn fysieke integriteit door politie en justitie daarna is omgegaan. De raadsman verbindt aan de gestelde vormverzuimen de consequentie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, subsidiair dat tot strafvermindering moet worden overgegaan. Daarbij gaat het om de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. Een dergelijk rechtsgevolg kan de rechter-commissaris niet aan het gestelde vormverzuim verbinden. Daarop kan wel een beroep worden gedaan ten overstaan van de zittingsrechter.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512, en de alinea staat in dat document op bytes 249637 tot 250817.