Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020
Alinea 80 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654.
41. In het voorafgaande is de ontwikkeling van de reactie op vormverzuimen gekenschetst als een golfbeweging. De strakke lijn in de rechtspraak inzake art. 359a Sv van de afgelopen jaren is ten dele te verklaren als een – begrijpelijke – reactie op de rechtspraak van vóór de invoering van de bepaling. De echo van de maatschappelijke onvrede over het vrijuit gaan van verdachten door de reacties op vormverzuimen in het opsporingsonderzoek, ongeacht het concrete nadeel dat de verdachte heeft geleden en ongeacht de ernst van het feit en de mate waarin de rechtsorde daardoor is geschokt, klinkt daarin door. Naar een dergelijke grofmazige toepassing van in het bijzonder bewijsuitsluiting als reactie op vormverzuimen zullen weinigen terugverlangen. Daarbij mag ook het risico van het verschuiven van de aandacht van de strafrechter van het ten laste gelegde feit naar het optreden van de politie en het openbaar ministerie niet uit het oog worden verloren. Buruma heeft in reactie op de voorstellen in het kader van modernisering Strafvordering gewezen op het risico dat “raadslieden met hernieuwde geestdrift gaan proberen hun schuldige cliënt vrij te krijgen door een beschuldigende vinger te wijzen naar het opsporingsoptreden”.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512, en de alinea staat in dat document op bytes 51887 tot 53273.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512 | shasum -a 256