Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020
Alinea 83 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654.
44. Bij een heroriëntatie op de rechtspraak inzake vormverzuimen kan niet worden volstaan met een analyse van het ‘onbevoegde hulpofficier’-arrest. Dit arrest, dat is toegesneden op het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting, staat niet op zichzelf, maar past in een ontwikkeling van de rechtspraak van de Hoge Raad gedurende de afgelopen twee decennia. Die ontwikkeling was al langer zichtbaar in de rechtspraak over niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Hoewel het uitgangspunt van terughoudendheid in de rechtspraak van de Hoge Raad ten aanzien van het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid op weinig weerstand lijkt te stuiten, is dat anders voor individuele arresten waaruit blijkt hoe ver deze terughoudendheid strekt. Een voorbeeld dat in dit verband veel wordt aangehaald, betreft HR 5 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:9, NJ 2016/153, m.nt. Vellinga-Schootstra. In die zaak was de verdachte met buitensporig geweld aangehouden, met letsel tot gevolg. De ten laste gelegde bedreiging van een politieambtenaar was een direct gevolg van het buitensporige geweld tijdens de aanhouding en wel zodanig dat het feit de verdachte volgens het hof niet kon worden verweten (psychische overmacht). Het hof had vastgesteld dat over het letsel en het uitgeoefende geweld vervolgens door de hulpofficier van justitie doelbewust onjuist is geverbaliseerd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Uit de stukken van het geding volgde voorts onmiskenbaar dat het openbaar ministerie zich in het onderzoek ten behoeve van de verlenging van het voorarrest op genoemd proces-verbaal had beroepen en zich overigens tot en met het indienen van de appelschriftuur op het standpunt had gesteld dat geen sprake was geweest van disproportioneel geweld. De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof dat onvoldoende grond bestond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet getuigde van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk was. Het arrest is illustratief voor de restrictieve koers die de Hoge Raad vaart. Vellinga-Schootstra stelt in haar annotatie de retorische vraag: “Is deze optelsom van schokkende feiten niet toereikend voor de kwalificatie als ‘truly outrageous case’, in welk geval gezegd kan worden dat het OM zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld?”.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512, en de alinea staat in dat document op bytes 55856 tot 58273.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512 | shasum -a 256