Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020
Alinea 84 Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:654.
45. Het is begrijpelijk dat in de rechtspraak inzake art. 359a Sv is gekozen voor een meer terughoudende benadering dan vóór de invoering van de bepaling. Dat neemt niet weg dat de vraag rijst of de rechtspraak door het steeds verder aantrekken van de teugels niet uit balans is geraakt. Die vraag laat zich niet eenvoudig in algemene zin beantwoorden. Die raakt aan de verhouding van de wetgever tot de strafrechter en van die van de feitenrechter tot de Hoge Raad. Daarnaast raakt de vraag aan het doel dat met het verbinden van rechtsgevolgen aan vormverzuimen wordt nagestreefd. De huidige koers, waarbij de eisen die worden gesteld aan het nadeel van de verdachte een drempel opwerpen, kan worden samengevat met de woorden van mijn voormalig ambtgenoot Wortel, dat de strafrechter geen tuchtorgaan is voor degenen die met opsporing en vervolging zijn belast. Maar juist de omstandigheid dat het in de huidige rechtspraak steeds minder vaak voorkomt dat de opsporingspraktijk signalen bereiken dat vormverzuimen consequenties kunnen hebben, staat op gespannen voet met de gedachte dat naast de wettelijke normering van de opsporing een solide rechterlijke controle op de opsporing toegevoegde waarde heeft.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512, en de alinea staat in dat document op bytes 58279 tot 59760.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/31b581bb368fb52355f3c8d62c84a1a690b3f8808ddef7e0a94524b094165512 | shasum -a 256