Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2020
Onder 6.13 Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:672.
1. Het belang van dit arrest is dat iets duidelijker is geworden wie de ‘feitelijke financier’ is. Die identiteit van de ‘feitelijke financier’ is allereerst van belang voor de toepassing van de tegenbewijsregeling van art. 10a lid 3 onderdeel a Wet VPB 1969. In HR 21 april 2017, nr. 16/03669, BNB 2017/156c* oordeelde de Hoge Raad dat de belastingplichtige reeds heeft voldaan aan de dubbele zakelijkheidstoets van die tegenbewijsregeling indien hij aannemelijk maakt dat een schuld die rechtens is aangegaan met een verbonden lichaam, in feite is verschuldigd aan een derde (dat wil zeggen geen verbonden persoon in de zin van art. 10a lid 4 of 5). In dat geval geldt volgens de Hoge Raad dat ook aan de met die schuld verband houdende rechtshandeling in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Dat de feitelijke financier een derde is, is sinds 2018 niet meer voldoende voor een geslaagd beroep op de tegenbewijsregeling, maar nog wel voor het bewijs van de zakelijkheid van de schuld (niet voor de rechtshandeling als genoemd in lid 1). Ook voor de redelijkeheffingnorm van lid 3 onderdeel b is van belang wie de feitelijke financier is, omdat de compenserende heffing van die persoon moet worden beoordeeld. Ten slotte is voor de toepassing van lid 1 van belang wie de feitelijke financier is: de bepaling is niet van toepassing als de formele noch de feitelijke financier een met de belastingplichtige verbonden persoon is. Voor zowel lid 1 als voor beide onderdelen van lid 3 is dus van belang wie de ‘feitelijke financier’ is. Uit BNB 2017/156c* kan worden afgeleid dat het voor deze bepalingen steeds om dezelfde ‘feitelijke financier’ gaat; met andere woorden, er wordt dezelfde toets aangelegd. Uit HR 8 juli 2016, nr. 15/00194, BNB 2016/197c* en uit BNB 2017/156c* bleek al dat bij de beantwoording van de vraag of een ander dan de formele crediteur ‘in feite’ de crediteur is, in ieder geval moeten worden betrokken looptijd, aflossingsschema, rentevergoeding, omvang en tijdstip van aangaan van de leningen (hierna: parallelliecriteria), een en ander in onderlinge samenhang bezien. Hier voegt de Hoge Raad nu aan toe dat niet van belang is of voor de voldoening van de schuld van de belastingplichtige aan het verbonden lichaam zekerheid is gesteld.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/372adb8d9aadae2b43f2e9689542cd59d335a5e92b46b6f32d7f2eeb708d0e8a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 372adb8d9aadae2b43f2e9689542cd59d335a5e92b46b6f32d7f2eeb708d0e8a, en de alinea staat in dat document op bytes 143740 tot 146188.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/372adb8d9aadae2b43f2e9689542cd59d335a5e92b46b6f32d7f2eeb708d0e8a | shasum -a 256