Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2020

Onder 2.8 Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:673.

Een vergelijkbare genuanceerde benadering zien we in [...] / [...] . [...] had op grond van een dadingsovereenkomst schilderswerkzaamheden verricht voor [...] . [...] betaalde niet, omdat hij het niet eens was met de manier waarop de werkzaamheden waren uitgevoerd. In de eerste procedure werd geoordeeld dat [...] het in de overeenkomst afgesproken bedrag moest betalen en dat hij die verplichting niet blijvend kon opschorten ( [...] had geen nader gevolg verbonden aan de door hem gestelde wanprestatie van [...] ). In de tweede procedure had [...] gevorderd de overeenkomst te ontbinden en [...] te veroordelen tot terugbetaling van betaalde facturen en tot het vergoeden van schade als gevolg van toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de overeenkomst. Nu in de eerste procedure niet was toegekomen aan een beslissing over het in de tweede procedure gestelde tekortschieten door [...] en de daarop gegronde vorderingen van [...] , stond het gezag van gewijsde van de eerste procedure niet aan de tweede procedure in de weg. Van Schaick ziet het zo dat in deze zaak de vordering in de tweede procedure was gebaseerd op een andere verbintenis uit dezelfde overeenkomst. De “rechtsvragen” verschilden hier zodoende. IV-Groep betoogt in onze zaak dat zich zo’n geval voordoet, zoals we nog zullen zien.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d10bf1842ab199678ff67f9162c5206ee835333e69b4bdf255a41c2670812d3c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d10bf1842ab199678ff67f9162c5206ee835333e69b4bdf255a41c2670812d3c, en de alinea staat in dat document op bytes 50904 tot 52396.