Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2020

Onder 4.18. Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:680.

Over de vraag of in het geval een kennisgeving ex art. 5.4.10 lid 1 Sv is gegeven, toch het EOB (of een bepaald deel daarvan) geheim dient te worden gehouden, wordt in de wetsgeschiedenis niet gerept. Met name in de implementatie van het EOB vormt dat een lacune. Daardoor is het onduidelijk in hoeverre in dat geval de verplichting van art. 19 lid 2 van de Richtlijn tot geheimhouding moet worden nageleefd en ingevuld. Art. 14 lid 3 van de Richtlijn luidt immers dat een notificatie van rechtsmiddelen moet worden gegeven indien ‘’de geheimhouding van een onderzoek daardoor niet in het gedrang komt, krachtens artikel 19, lid 1 (onderstreping AG TS)’’. Dat laat (tevens) de vraag open wat de verhouding is tussen het eerste en tweede lid van art. 19 van de Richtlijn. Ook is het de vraag hoe de verplichting tot geheimhouding strookt met overweging 22 van de preambule en art. 14 van de Richtlijn, dat gelijkwaardige en effectieve rechtsmiddelen voorschrijft. Hoe kan ondanks de verplichting tot een vertrouwelijke behandeling van een EOB effectieve rechtsbescherming worden geboden in de beklagprocedure?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f461c8feeeb5b2b8f01ebec2d92daf3a819bc91962efe9ceb05ad3249203eb0d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f461c8feeeb5b2b8f01ebec2d92daf3a819bc91962efe9ceb05ad3249203eb0d, en de alinea staat in dat document op bytes 44169 tot 45464.