Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 juli 2020

Onder 5.27 Parket bij de Hoge Raad 17 juli 2020

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:698.

“ 3.3.2 Voor de vraag of belanghebbende tot Talpa in een zodanige privaatrechtelijke dienstbetrekking stond is maatgevend of tussen beiden sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. Bij de beantwoording van de vraag of de rechtsverhouding tussen partijen als zodanig dient te worden aangemerkt, moet worden getoetst of de inhoud van die rechtsverhouding voldoet aan de criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomstacht. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven (vgl. onder meer HR 13 juli 2007, (…) NJ 2007/449 [ Stichting Thuiszorg Rotterdam/PGGM , A-G] ).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6df37848d0ee9c9cb3b2630468962471a2150b1fe906ad2a6841f4439cfa1b9d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6df37848d0ee9c9cb3b2630468962471a2150b1fe906ad2a6841f4439cfa1b9d, en de alinea staat in dat document op bytes 118449 tot 119535.