Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2020
Onder 2.14 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:705.
Ten slotte vermeld ik dat vóór de uitbraak van het virus COVID-19 reeds was aanvaard dat de rechter in Wet Bopz-zaken spoedshalve telefonisch inlichtingen kan inwinnen bij derden , mits vervolgens aan de verschenen procespartijen gelegenheid wordt gegeven om daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. Het Wetboek van Strafvordering kende vóór de uitbraak van dit virus al een bepaling over het horen, verhoren of ondervragen van personen per videoconferentie waarbij een directe beeld- en geluidsverbinding tot stand komt (zie art. 131a Sv en het Besluit videoconferentie, Stb. 2006, 275, nadien gewijzigd). De Tijdelijke wet COVID-19 Justitie en Veiligheid geeft in art. 27 regels voor het horen of verhoren per telefoon (d.w.z. alleen geluidsverbinding) en in art. 28 bijzondere regels voor de inhoudelijke behandeling van strafzaken en raadkamerzittingen betreffende vorderingen van het O.M. tot gevangenhouding of gevangenneming of de verlenging daarvan. In het bestuursprocesrecht bestond vóór de uitbraak van dit virus al een wettelijke grondslag voor eventuele videoconferenties (art. 8:40a Awb).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1f25246f2743c158929c7d666ca854cfbede8946201817a3e4c6fbbc7d3208fc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1f25246f2743c158929c7d666ca854cfbede8946201817a3e4c6fbbc7d3208fc, en de alinea staat in dat document op bytes 29937 tot 31171.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1f25246f2743c158929c7d666ca854cfbede8946201817a3e4c6fbbc7d3208fc | shasum -a 256