Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 juli 2020
Onder 3.16 Parket bij de Hoge Raad 17 juli 2020
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:714.
Naast een rechtstreekse toepassing van art. 6:99 BW, waarbij dus aan alle vereisten van die bepaling moet zijn voldaan, is eventueel ook een analoge toepassing denkbaar. Buiten het geval van beroepsziekten is overbekend het arrest van uw Raad in de zaak van de Des-dochters . In dat arrest is de aansprakelijkheid van de producenten van het geneesmiddel Des onder art. 6:99 BW gebracht, hoewel in het midden bleef of Des ‘in de relevante periode ook in het verkeer is gebracht door een of meer producenten die daarvoor wegens het ontbreken van een fout niet aansprakelijk is (zijn) en (…) de schade van de betrokken Des-dochter ook door deze Des kan zijn veroorzaakt’. Volgens het Des -arrest ontheft dit de andere producenten niet van hun aansprakelijkheid voor de gehele schade, tenzij die aansprakelijkheid in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Uw Raad heeft dit destijds gepresenteerd als een geval dat valt onder de tekst van art. 6:99 BW, maar min of meer algemeen lijkt de opvatting dat dit niet juist is. Ik spreek daarom van een analoge toepassing van art. 6:99 BW. Over het Des -arrest is zeer veel geschreven, veelal in kritische zin. De uitkomst van de zaak is mogelijk juist, ervan uitgaande dat de kans dat de schade is veroorzaakt door een niet-aansprakelijke producent van Des zeer gering is (vergelijk hiervoor 3.15 slot). Is die kans niet zodanig gering dat die oorzaak mag worden weggestreept, dan is de uitkomst dubieus, omdat een risicogemeenschap van daders ontstaat, die niet alleen alle door de daders veroorzaakte schade omvat, maar ook andere schade. Dit past slecht in een stelsel van aansprakelijkheid. Dat hoofdelijke aansprakelijkheid ertoe leidt dat de aansprakelijke personen onderling moeten uitzoeken wie in welke mate draagplichtig is en dat zij daarbij ook een insolventierisico dragen, wordt in het aansprakelijkheidsrecht bijna vanzelfsprekend als juist aanvaard. Ook dat impliceert het bestaan van een risicogemeenschap. Maar dat ook uitgaande van ideale omstandigheden de hoofdelijk verschuldigde schadevergoeding niet door middel van verhaalsvorderingen tussen de leden van de risicogemeenschap kan worden verdeeld naar rato van de door ieders toedoen veroorzaakte schade, omdat er tussen de leden meer schade is te verdelen dan door hen tezamen is veroorzaakt, dat gaat de gangbare grenzen van aansprakelijkheid te buiten. Vergelijk ook art. 6:102 lid 2 BW, dat uitdrukkelijk ervan uitgaat dat ook in geval van hoofdelijke aansprakelijkheid het gedeelte van de schade dat het gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, voor diens rekening blijft, niet anders dan in het geval er slechts één aansprakelijke persoon zou zijn geweest. Aan een uitzondeling op dat uitgangspunt kleven, behalve principieel-juridische, ook praktische bezwaren (of zo men wil rechtseconomische), bijvoorbeeld in de zin dat een zo ruim gesneden aansprakelijkheid ertoe leidt dat gewone of zelfs uitgesproken wenselijke maatschappelijke activiteiten alleen nog tegen relatief hoge kosten verzekerbaar zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/72daafe2dd23a2b156ec93cdd9809475624c78500cc9a9e14262595b868c9ea4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 72daafe2dd23a2b156ec93cdd9809475624c78500cc9a9e14262595b868c9ea4, en de alinea staat in dat document op bytes 74593 tot 78128.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/72daafe2dd23a2b156ec93cdd9809475624c78500cc9a9e14262595b868c9ea4 | shasum -a 256